zaterdag 5 december 2015

De God in ons allen




DE GOD IN ONS ALLEN

- Bedenkingen bij een klimaattop -


# Moeders wil is wet

Van oudsher wordt de filosofie de moeder van de wetenschappen genoemd, maar deze eretitel komt eigenlijk toe aan de natuurkunde. Naast kennis over de natuur, schenkt deze moeder ons namelijk ook:

- kennis over het na-turen
- kennis over het natte uur

Een moeder die van alle markten thuis is en meer te bieden heeft dan je op grond van haar naam zou vermoeden. De vraag is of zij, zoals veel moeders, ook de baas is in huis. Is haar wil wet?

Volgens Barbara Debusschere wel. In De Morgen van 29 November jongstleden, schreef zij:

"Besparen we onszelf de meest vernielende effecten van een ontwrichting die bijna iedereen bedreigt, of kiezen we ervoor domweg door te gaan met ons enige huis opbranden? Ons antwoord moet nu vallen, want hierna nemen de wetten van de natuurkunde het over en hebben we niet meer te beslissen."

Barbara ...
Vernielende effecten en ontwrichting. Als het niet over de islam gaat, zal het wel over het klimaat gaan, want over die twee zaken gaan tegenwoordig nagenoeg alle discussies. Het zal duidelijk zijn dat Barbara in de discussie aan de kant staat van de alarmisten: de 'we' in haar tekst zijn de politici die in Parijs samen komen voor een zogenaamde klimaattop, alwaar ze tot een akkoord hopen te komen. Barbara spoort ze aan om haast te maken met dat akkoord, want als ’we’ nu niets doen, nemen natuurwetten het van 'ons' over en zijn we de klos.

Het vreemde is dat je uit haar tekst zou kunnen opmaken dat Barbara denkt dat de wetten van de natuur pas in werking treden indien er in Parijs geen akkoorden worden gesloten. Hoe zit het dan nu met die wetten? Zijn ze tijdelijk buiten werking gesteld? Vermoedelijk bedoelt ze iets heel anders (ik kom daar nog op terug), maar niettemin: Wat zijn dat nu eigenlijk, die natuurwetten, of zoals zijzelf het uitdrukt: de wetten van de natuurkunde?


# Natuurwetten bestaan niet

Ik heb eens een lezing bijgewoond van de bekende astrofysicus Vincent Icke. Die wist zijn gehoor - bestaande uit studenten aan een Technische Universiteit plus genodigden - te verbluffen met de mededeling:

"Natuurwetten bestaan niet."

Natuurwetten zijn niets anders dan regelmatigheden die natuurkundigen hebben vastgesteld, aldus de astrofysicus. Het woord ’wet’ was misleidend, want een wet veronderstelt een wetgever, en in de natuur had niemand het voor het zeggen. De Wet van Archimedes werd zo genoemd omdat hij als eerste had vastgesteld dat als een lichaam geheel of gedeeltelijk wordt ondergedompeld in een vloeistof, een opwaartse kracht ondervindt die gelijk is aan het gewicht van de verplaatste vloeistof. Omdat hij de ontdekking deed, en het verschijnsel treffend had verwoord, droeg de ’wet’ zijn naam. Hij had de wet niet uitgevaardigd, zoals Halley enkel het gedrag van de naar hem genoemde komeet had beschreven, maar de komeet niet door het universum had gestuurd.

Vincent ...

# De God in ons allen

Het toeval wilde dat korte tijd na de lezing van Icke een forumdiscussie bijwoonde over het bestaan van God en alles wat daarmee samenhing. Er waren vier deelnemers, maar de discussie werd volledig gedomineerd door twee van hen, de bioloog Maarten 't Hart en de econoom en publicist Eduard Bomhoff (hij zou korte tijd daarna minister van volksgezondheid worden in het eerste kabinet Balkenende). Maarten en Eduard zijn beiden opgevoed in een strengprotestants milieu en zelfs enige tijd jeugdvrienden geweest, maar Maarten viel van zijn geloof en Eduard niet. Toen de discussie dreigde te ontsporen (Eduard begon gevaarlijk rood aan te lopen) wilde Maarten zijn vroegere vriend wel enigszins tegemoet komen: Goed, het bestaan van een God kon hij zich nog wel voorstellen, maar geloofde Eduard echt dat Jezus was opgestaan uit het graf? Dat was namelijk compleet in strijd zijn met al onze kennis van de natuur. Bomhoff liet zich niet uit het veld slaan. Ja, hij geloofde dat echt, de natuurwetten waren immers ingesteld door God, en aangezien Hij ze had ingesteld, moest Hij ook in staat worden geacht om ze tijdelijk op te heffen. En dat had Hij blijkbaar gedaan, op die bewuste vrijdagmiddag in het jaar 33.

... en Eduard
Het lijkt onwaarschijnlijk dat Barbara gelooft dat God de natuur voor even op non-actief heeft gesteld, zodat wij het nodige onderhoud kunnen plegen. Het geloof van Eduard Bomhoff deelt ze vermoedelijk niet. Wat ze wil zeggen is dat het vijf voor twaalf is, of zelfs al later: de wereld staat op het punt om onleefbaar te worden, en dit is onze laatse kans om handelend op te treden. Met geloof, zo zal ze verklaren, heeft dat alles niks te maken, haar beweringen hebben een onwrikbare wetenschappelijke basis. Toch laat haar boodschap zich gemakkelijk herleiden tot een religieuze onheilstijding. Mensen die aanbellen met de boodschap dat de wereld naar de verdommenis gaat, sporen hun gehoor altijd aan om zich zo snel mogelijk te bekeren, dat wil zeggen: nu, nu het nog kan, niet over een paar jaar, want dan is het onherroepelijk te laat. Uiteindelijk zijn we allemaal kinderen die een onheilspellende religieuze taal spreken. De God in ons allen. En vroeg of laat krijgt een van ons gelijk, want ooit zal de wereld vergaan.

Op naar de Klimaat-Top!


http://www.demorgen.be/opinie/ons-antwoord-moet-nu-vallen-hierna-nemen-de-wetten-van-de-natuurkunde-het-over-b64adbc7/


maandag 30 november 2015

Traditie, schoonheid & de geur van thee



TRADITIE, SCHOONHEID 
& DE GEUR VAN THEE


# Drie glazen melk per dag 

Sprekende over niet-alcoholhoudende dranken (over alcohol wordt hier zedig gezwegen) is thee mijn derde grote liefde. Mijn eerste liefde was melk. De reden daarvoor was Joris Driepinter, een getekend personage dat optrad in reclamefilmpje voor melk. Joris was sterk en pienter, en als men hem vroeg hoe dat kwam dan zei hij:

„Ach, moet het? Drie glazen melk per dag, dat doet het!“

Ik wilde ook graag sterk en pienter worden, dus heb ik jarenlang drie glazen mek per dag gedronken. Totdat ik geen melk meer kon zien. Het hielp trouwens ook niet: ondanks alle glazen melk, bleef ik een bleekneuzig kind met een zwakke maag.



# Kopje onder in de koffie

Mijn tweede liefde was koffie. The Dutch run on coffee, schrijven White & Boucke in hun meesterwerkje The Undutchables over de kleine en grote onhebbelijkheden van het Nederlandse volk. Voor mij leek dat op te gaan: ´s morgens, ´s middags en ´s avonds, sloten koffie dronk ik, soms wel twaalf koppen per dag. Of meer. Ik hield niet van koffie, ik was er stapeldol op: de mooiste dood, zo stelde ik me voor, was de koffieverdinkingsdood. Als je dan toch vroeg of laat het tijdelijke voor het eeuwige moest verwisselen, dan bij voorkeur ronddobberend in een gigantische beker koffie. Kopje onder in koffie. Heerlijk leek me dat.

Maar helaas begon mijn zwakke maag steeds sterker te protesteren. Ik kreeg last van slapenloosheid en als ik na zessen nog een kop koffie dronk, moest ik ´s nachts mijn bed uit om een Rennie te slikken. De huisarts zette me op koffie-dieet: niet meer dan vier koppen per dag. Uiteindelijk werden er dat drie en zelfs twee. Ik drink nu ´s morgens twee koppen koffie en daar blijft het bij.

De rest van de dag drink ik water, veel water. Maar water is natuurlijk geen goede vervanger voor koffie. Wat dan wel? Vreemd genoeg duurde het enige tijd voordat ik het antwoord vond op die vraag, terwijl dat antwoord toch voor de hand lag:


# Thee natuurlijk!

Thee lag daarom zo voor de hand, omdat het verbonden is met enkele andere grote liefdes uit mijn leven: de Britse taal en cultuur, de culturele geschiedenis van Japan, en de schrijver en Nobelprijswinnaar Yasunari Kawabata (1899 – 1972)

Over de Britse connectie kan ik kort zijn: Tea time, tea for two (and two for tea) - iemand die ooit het eilandenrijk heeft bezocht, weet wat thee doet met de Brit. Het is alles voor hem. De belangrijkste sportwedstrijden worden stilgelegd omdat de tijd voor thee is aangebroken.

Kawabata
De Japanse connectie met thee is minder bekend, toch is Japan waarschijnlijk het land met de meest complexe theeceremonieën. De Japanse theeceremonie, Chado, is een traditie waarin het drinken van thee is verheven tot een kunstvorm. In geen enkel boek komt dat beter tot uitdrukking dan Duizend Kraanvogels van mijn favoriete Japanse schrijver, Yasunari Kawabata. Hij betreurde het verval van de Japanse traditionele cultuur, die (vooral na de Tweede Wereldoorlog) werd ingewisseld voor modernisme en consumentisme. In Duizend Kraanvogels wordt de theeceremonie gebruikt als metafoor voor al het Schone dat bescherming verdient. De tedere schoonheid van het boek - het is geschreven in en subtiele, bijna breekbare stijl - leert je iets over het belang van Traditie en Schoonheid, maakt je duidelijk dat de mens niet in een historisch of cultureel vacuüm kan bestaan. En ook niet zonder die heerlijke geur van thee ...

Het beste moment voor thee is voor mij de avond. Het moet rustig zijn in huis, het liefst een beetje donker. Gedempt licht is ideaal. Japanners drinken thee het liefst in hurkzit. Dat hoeft voor mij niet, maar thee hoort wel thuis op een laag tafeltje. Mijn favoriete thee is Fennel tea ("Goed voor de maag en de stofwisseling! Helpt tegen overdadige flatulentie!") van het merk Heath & Heather. Ik haal die in de natuurwinkel in Turnhout. Het personeel kent me al: de man van de thee (en de drop, Nederlanders lusten, zoals bekend, ook graag drop).

- Speciaal voor Simha Chardon

----------

* Colin White & Laurie Boucke, The Undutchables, an observation of the Netherlands, its culture and its inhabitants, 1989

* Theeceremonie:
http://www.uchiyama.nl/ngtheeceremonie.htm

* Kawabata:
http://nrcboeken.vorige.nrc.nl/schrijver/kawabata-yasunari

dinsdag 24 november 2015

Zie ook onder Sophietje




Zie ook onder Sophietje

De schrijver en hoogleraar Karel van het Reve heeft op uitnodiging van de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen ooit een lezing gehouden over de vraag wat een mens absoluut moet weten om voor een ontwikkeld persoon door te gaan. Hij stelde zijn collega wetenschappers voor om een boek te schrijven  waarin deze kennis zou worden opgesomd, met als titel: Zie ook onder Mozes. Mozes was volgens hem één van Bijbelse figuren die iedereen zou moeten kennen. Het lemma 'Mozes’ zou een korte typering van de betrokken persoon bevatten, plus verwijzingen van het type: zie ook onder Jezus van Nazareth. Je kunt in een beschaafd gezelschap nu eenmaal niet een vraag stellen als: Zeg, die Jezus waar jullie het soms over hebben, wie is dat eigenlijk? Op dezelfde manier dient men ook de namen te kennen van Alexander de Grote, Shakespeare of Einstein, en iets over deze personen te kunnen vertellen. Niet veel, een paar losse wijsheden volstaan. Bij de naam Einstein moet een belletje gaan rinkelen, luidend: Relativiteitstheorie! Een verklaring van de theorie kan men met een gerust hart overlaten aan specialisten,

Het idee roept onmiddellijk denkoefeningen op. Welke Nederlanders of Belgen zou iedereen moeten kennen? Welke Fransen? Napoleon en De Gaulle zijn natuurlijk verplicht, Jean-Paul Belmondo lijkt eerder een randgeval. Zelf heb ik weleens rondgelopen met het plan om een verzameling aan te leggen, in boekvorm en op CD, van alle volksliedjes en klassieke Hollandse hits die een buitenlander zou moeten kennen om succesvol in de Nederlandse samenleving te kunnen integreren. Je bent pas echt Nederlander als je Berend Botje kunt zingen en weet waar de kreet Kom van dat dak af! vandaan komt. De bundel zou deel uit kunnen maken van integratiecursussen, en ik heb alvast een titel bedacht: Zie ook onder Sophietje.

Sophietje is een dame uit een liedje dat iedere Nederlander boven een bepaalde leeftijd kent. Het bestormde de hitparade in 1965, maar een kleine test wees uit dat het vijftig jaar later door leerlingen uit het middelbaar onderwijs moeiteloos wordt meegezongen:


Zij dronk ranja met een rietje 
Mijn Sophietje
Op een Amsterdams terras
Zij was Hollands als het gras
Als een molen aan een plas

Sophietje was dus zo Hollands als het gras en een molen aan een plas. Hollandser kan men niet zijn, en daarom is Sophietje ook bij uitstek geschikt om te worden verwerkt in de titel van de bundel. Om het beeld compleet te maken, dronk Sophietje ook nog ranja met een rietje. Ranja is limonadesiroop (een concentraat) aangelengd met water, een zeer zoetig drankje zonder prik. Volgens Wikipedia wordt het woord ranja alleen in Nederland gebruikt, dus niet in Vlaanderen, tenzij in de grensstreek. Ook het drankje is dus typisch Nederlands. Sophietje was blijkbaar ook heel mooi, want de zanger, Johnny Lion, heeft de hele wereld afgereisd en zag overal mooie vrouwen, maar geen van hen haalde het bij de Hollandse schone die hij uiteindelijk vlak bij huis aantrof, op een Amsterdams terras, lurkend aan haar rietje:

Ik zag meisjes in Parijs en in Turijn
In Helsinki in Londen en Berlijn
Waar ik op de wijde wereld was
Zij mochten er wel zijn
Maar de mooiste van de mooisten is Sophie
In de liefde is ze zeker een genie
Want een meisje als Sophietje
Is een lentesymphonie

Zo Hollands, en zo mooi, en toch is er iets mis met het liedje. Maar voordat we de pret gaan bederven, even iets anders: Wie was deze Johnny Lion, waarom gebruikte hij als zanger van een Nederlandstalig nummer een Engels klinkend pseudoniem, en nog belangrijker: wie was Sophietje?

Johnny Lion was het pseudoniem van ene Johnny van Leeuwenwarden (De Haag, 1941), een zanger die met zijn band The Jumping Jewels een paar Engelstalige hits had gescoord. Hij verliet de groep om een solocarrière op te bouwen. Het was de bedoeling dat hij zou uitgroeien tot het Nederlandse equivalent van Cliff Richard, maar het publiek gaf de voorkeur aan het origineel en na een paar flops probeerde Haagse Johnny het maar eens met een Nederlandstalig nummer. Het succes was overweldigend: de single was binnen enkele weken goud en stond 22 weken in de Top 40. Sophietje was opgedragen aan zijn toenmalige vriendin, het fotomodel Sophie van Kleef; zij prijkt ook op de cover van de hitsingle, ranja drinkend met een rietje.

Maar, zoals reeds opgemerkt, er is een probleem. Sophietje, het rietje en het liedje: het klinkt allemaal zo Hollands dat ik er nooit bij heb stilgestaan dat het een cover zou kunnen zijn. Toch is dat het geval: de Nederlandse tekst, van de hand van Gerrit de Braber, is een bewerking van het Zweedse Fröken Fräken, geschreven door Thore Skogman, gezongen door Sven Ingvars. De oorspronkelijke tekst gaat als volgt:

Jag har sett Miss Grekland.
Jag har sett Miss Kina.
Nästan alla världens vackra Misser har jag mött.
Och jag tyckte alla var och fina.
Men när jag kom hem till Värmland,
mötte jag en värmlandsjänta,
och hon är för mig det allra sötaste bland sött.

De tekst verwoordt hetzelfde idee: de zanger heeft Miss Griekenland en Miss China (Kina) gezien, sterker nog: hij heeft vrijwel alle missen ter wereld ontmoet, maar toen hij terugkeerde in zijn geboortestreek Värmland, ontmoette hij de mooiste van de mooisten:

Lilla söta Fröken Fräken ifrån Fryken

Dat wil zeggen: de kleine lieve fröken fräken uit het plaatsje Fryken. Fröken is natuurlijk vrouwtje, jongedame, en denkend aan ‘freckles’ is het waarschijnlijk niet zo moeilijk om fräken te herleiden tot zomersproetjes. Na ranja met een rietje, krijgen we dus een snoetje met een sproetje. De allermooiste voor Sven Ingvars is de plaatselijke Miss, een jongedame met schattige zomersproetjes. Ook de gedachte dat zij typisch is voor de streek waarin de zanger is opgegroeid keert in de tekst terug, Fröken fräken is namelijk zo blond als het ängens råg, het koren in het veld en als zij voorbijkomt, jaagt ze de hartslag van alle mannen de hoogte in.

Lilla söta fröken Fräken, ifrån Fryken,
Blev miss Värmland nu i år.
Alla värmlandspulsar slår
När hon genom staden går
Lilla söta fröken Fräken, ifrån Fryken,
Hon är blond som ängens råg
Vackrast utav alla flickorna jag såg



----------------------

* Karel van het Reve, Zie ook onder Mozes, in: Verzameld Werk, Deel 6, Van Oorschot, 2011
* Fröken Fräken: http://muzikum.eu/en/123-14978-211188/sven-ingvars/froken-fraken-lyrics.html#ixzz3sQDuzh00

vrijdag 20 november 2015

Herinneringen aan Armand




Armand van Loenhout (Eindhoven, 10 april 1946 – Eindhoven, 19 november 2015)

Een paar jaar geleden stond ik plots vlak achter hem in een boekwinkel. Ik had hem in meer dan dertig jaar niet gezien en het viel me nu pas op hoe klein hij was. Armand leerde ik kennen als jongeman en als jongeman keek je tegen hem op, omdat hij op een podium stond, of gewoon omdat je hem bewonderde. Armand was beroemd en zijn roem was blijkbaar zo groot dat zijn kleine en schrale gestalte niet opviel.

Ik kom, net als hij, uit Eindhoven maar herinner me niet dat ik hem vroeger ooit in de binnenstad ben tegengekomen. Als je hem wilde zien moest je naar De Poort van Kleef, een roemrucht café waar hij met enige regelmaat over de vloer kwam, meestal ‘s avonds laat en in het gezelschap van het nodige vrouwvolk. Zijn auto parkeerde hij gewoon voor de deur, hoewel er in de straat een streng parkeerverbod gold. Hij was doorgaans stoned maar leek nog wel in staat om te zingen, en daarom weerklonk na een tijdje de onvermijdelijke vraag, in authentiek Eindhovens:

“Hé Armand, zingt oew liedje nog ‘s.”

Dat liedje was natuurlijk ‘Ben ik te min’. Iedereen kent Armand, en iedereen kent deze  klassieker, maar vreemd genoeg is het de enige hit die hij ooit heeft gehad. Slechts één andere single haalde de Top 40, het pacifistische ‘Blommenkinders’, maar het nummer kwam niet hoger dan de negentiende plaats. Beide hits, de grote en de kleine, dateren uit hetzelfde jaar, 1967. Het succes van Armand was gigantisch, maar duurde erg kort.

Pater Verhagen
Op de middelbare school kreeg ik godsdienstles van dezelfde pater die Armand les had gegeven, Pater Verhagen, een kleurrijke augustijn die haast even beroemd was als Armand zelf. De pater dankte zijn landelijke bekendheid aan de komische dagsluitingen die hij jarenlang had uitgesproken voor radio en televisie. Het was deze pater die Armand het geld had geleend om zijn eerste gitaar te kopen. Een studiehoofd had Armand niet, zo vertelde de pater ons, maar de jongeman geloofde rotsvast in zijn grote talent, en daarom had hij hem dat geld geleend. In het leven moest je ergens in geloven, was het niet in God, dan wel in je eigen talent.

Armand was een vriendelijke, zij het wat wereldvreemde jongen. Een gesprek met hem voeren was lastig omdat hij niet alleen overtuigd was van zijn grote talent, maar ook van zijn eigen grote gelijk. Ik denk niet dat hij ooit een fout heeft toegegeven. Jaar in jaar uit probeerde hij het succes van zijn eerste hit en eerste elpee te herhalen, maar alle pogingen leden schipbreuk, buiten Eindhoven verkocht hij geen plaat meer. Verzamelelpees en -cd’s met zijn oudste werk, gingen dan weer grif over de toonbank. Armand weet het allemaal aan het publiek dat te stom was om zijn werk op waarde te schatten. Na 1967 was de wereld in slaap gevallen, hij was als enige wakker gebleven.

In feite was het natuurlijk eerder andersom. De wereld was geëvolueerd, terwijl Armand zelf was blijven stilstaan. Dat maakte hem ook uniek: andere artiesten uit die tijd schakelden over op andere genres (vaak ook zonder veel succes), maar Armand bleef de protestzanger met de onmogelijk lange, roodoranje haren die koppig bleef protesteren tegen leed en onrecht. Zijn latere platen waren doorslagjes van zijn vroege werk, alleen minder in kwaliteit. Aan het eind van zijn leven, kreeg hij dan toch weer enig succes dankzij de samenwerking met de beatgroep The Kik uit Tilburg en een ska-versie van het aloude Ben ik te Min met Let’s Quit.




donderdag 20 augustus 2015

Appeltjes van Liefde en Appeltjes van Oranje




APPELTJES VAN LIEFDE EN APPELTJES VAN ORANJE

In zijn laatste ‘woordhoek’ (een taalrubriek in NRC Handelsblad) onthult Ewoud Sanders zijn favoriete Nederlandse woord: liefdesappel. Waarom is dat woord volgens hem zo mooi? Welnu, Sanders houdt zelf veel van appels (hij eet er minstens drie per dag) en volgens hem houdt iedereen van de liefde: de combinatie is dus onweerstaanbaar. Een liefdesappel blijkt overigens geen appel te zijn, maar een tomaat. Liefdesappel is een vertaling van het het Franse pomme d’amour, en dat zou weer een (foute) vertaling zijn van het Italiaanse pomo dei Mori, appel van de Moren (pomo is een synoniem van mela, het meest gebruikte woord voor appel).

Ik kreeg plots een antwoord op een vraag die ik blijkbaar nooit had gesteld, en wel waarom een tomaat in het Italiaans pomodoro wordt genoemd. Po-mo-do-ro, prachtig. Het is een van die woorden die je nooit vergeet nadat je ze ergens hebt gelezen of gehoord, een Italiaanse tomaat zal vanaf dat moment altijd een pomodoro zijn. Ze lijken voor elkaar geschapen, het woord en de vrucht, het woord is als het ware vruchtvlees geworden. Het is van een haast religieuze schoonheid die mensen amen doet zeggen.

Maar klopt die afleiding wel? Onmiddellijk nadat ik de conclusie had getrokken dat ik me nooit in herkomst van het woord pomodoro had verdiept, begon in mijn achterhoofd iets te knagen, een oude wijsheid, bedekt met spinnenwebben, maar nog niet helemaal vergeten. Was pomodoro niet afgeleid van pomme dorée, of pomo di oro, vergulde of gouden appel? Etymologiebank meldt die afleiding niet, maar een Italiaanse kennis vertelde me desgevraagd dat ze ooit het verhaal van de gouden appels had geleerd. Het had iets te maken met zowel de vorm als de kleur van de tomaat: de vorm deed denken aan een appel (pomo) en de eerste tomaten die aan het publiek werden gepresenteerd, waren goudgeel van kleur (di oro).

Een zoektocht bracht me naar Mechelen en de plantkundige Rembert Dodoens, blijkbaar de eerste auteur in ons taalgebied die tomaten in zijn geschriften vermeldde. Dodoens verwierf als stadsgeneesheer te Mechelen zoveel faam verwierf dat hij werd aangesteld als keizerlijk lijfarts in Wenen. Hij schrijft, na zijn eerste kennismaking met de nieuwe vrucht, dat er verschillende soorten bestaan:

' …die eene sijn root, die andere bleeck geel…’ 

De gelige kleur leidde tot de benaming gulden of gouden appel, in het Duits Golt Apfel, in het Frans pomme dorée (de invloed van de Mechelaar strekte zich over de taalgrenzen uit). De Italianen hebben daar di oro van gemaakt, en van het een kwam het ander, de gouden appel werd een pomodoro.

Er is nog een andere reden om de Mechelse variant te verkiezen boven de Moorse. Pomo dei Mori zou immers wijzen op een Afrikaanse herkomst van de vrucht. We kennen de Moren het best als de islamitische bewoners van het Iberische schiereiland, maar oorspronkelijk zou de term verwijzen naar een Noord-Afrikaans volk, zo zwart als roet, waarschijnlijk afkomstig uit Centraal-Afrika, dat zich in Noorden vestigde en banden aanging met Carthago. Het liedje Moriaantje, zo zwart als roet schijnt op speelse manier naar dit historische volk te verwijzen en ook Shakespeare’s Othello, the Moor of Venice, wordt doorgaans voorgesteld als zijnde pikzwart. De Mauri werden geïslamiseerd en vermengden zich met de plaatselijke bevolking, waardoor ze - naar valt aan te nemen - lichter van huid zijn geworden, maar in het Roelantslied (11de eeuw) worden ze nog omschreven als zo zwart als inkt.

Probleem van deze lezing is dat de tomaat niet uit Afrika komt, maar uit Zuid-Amerika. Het waren de conquistadores die de vrucht - door de Azteken xitomati genoemd - naar Europa stuurden. Het is onwaarschijnlijk dat de Moren (de Mauri dan wel de bewoners van Andalusië) hierbij een rol hebben gespeeld. Dodoens presenteerde de nieuwe vrucht aan zijn lezers in de 16de eeuw, toen de Moren al lang en breed uit Spanje verdreven waren.

Anderzijds is het met namen van (oorspronkelijk) uitheemse vruchten altijd oppassen geblazen. Wij spreken van appelsienen omdat het ronde, appelvormige vruchten waren , afkomstig uit China. In veel talen wordt de sinaasappel echter in verband gebracht met Portugal: in het Arabisch wordt de sinaasappel burtuqaal ( برتقال ) genoemd, wat in het Roemeens Portokal is geworden en in het Grieks portokali ( πορτοκάλι ). Als verklaring wordt gegeven dat Portugal als eerste sinaasappels uit China importeerde. Leuk is dat burtuqaal in het Arabisch niet alleen verwijst naar het land Portugal, maar (met een kleine aanpassing) ook naar de kleur oranje, wat weer lijkt te verwijzen naar Nederland en de appeltjes van oranje. Misschien ligt Piet Hein, de koene zeevaarder, dus toch aan de basis van alles:




Heb je van de zilveren vloot wel gehoord,
De zilveren vloot van Spanje?
Die had er veel Spaanse matten aan boord
En appeltjes van Oranje
Piet Hein, Piet Hein, Piet Hein zijn naam is klein,
Zijn daden bennen groot, zijn daden bennen groot
Die heeft gewonnen de Zilvervloot!


Noot:

Er zijn pogingen ondernomen om de gulden of gouden appelen te herleiden tot de griekse mythologie. Daarbij wordt dan gedacht aan de zogenaamde Hesperiden, zeven nimfen die in het land Hesperia de Boom met de Gouden Appels bewaken. Ook de befaamde twistappel van Paris, de jongeling die de mooiste vrouw tussen hemel en aarde moest aanwijzen en daarbij de keuze had tussen Hera, Aphrodite en Pallas Athene wordt in dit verband weleens genoemd. Dat klinkt allemaal zeer verleidelijk, maar het verband met tomaten lijkt een beetje zoek. 

vrijdag 17 juli 2015

De Muiskee



Op een Engelstalig forum werd hij al the Mousq genoemd, en ik kwam ook al de grappige benaming the Mousquito tegen, een samentrekking van mouse en Mezquita, de naam van de beroemde moskee van Cordoba. In het Nederlands kan het beestje niet anders dan de Muiskee worden gedoopt. Het voorval waaraan de rakker zijn faam te danken heeft, speelde zich overigens niet af in Cordoba, maar in Casablanca, in de plaatselijk Hassan II-moskee. De moskee was tot aan de nok toe gevuld met gelovigen toen één van de vrouwelijke aanwezigen een muis ontdekte. De muis brulde niet eens, maar de dame sloeg gillend op de vlucht en veroorzaakte daarbij zoveel paniek, dat haar voorbeeld door talloze anderen werd gevolgd. Resultaat: 81 gewonden.

Enig zoekwerk leerde me dat de onredelijke angst voor knaagdieren zemmifobie wordt genoemd. Oorspronkelijk gaat het bij deze fobie om de naakte molrat (Heterocephalus glaber) een onooglijk knaagdier, 14 tot 18 centimeter lang, met een gewicht van 30 tot 50 gram. Deze knagers leven in onderaardse gangenstelsels die ze hebben uitgegraven met hun lange tanden, gelig van kleur en vier in aantal, maar ze komen wel eens een kijkje nemen boven de grond, en hun aanblik is zo huiveringwekkend dat sommige personen er jaren later in hun dromen door worden gekweld. De molrat is tamelijk zeldzaam, komt enkel voor in Oost-Afrika, in landen als Ethiopië en Kenia, maar de fobie voor knaagdieren is van alle continenten, en blijft niet beperkt tot de molrat. Ratten, muizen, zelfs gewone mollen kunnen fobische reacties veroorzaken.

Heterocephalus Glaber
Zemmifobie is ook opgenomen in de uitputtende lijst van fobieën op de site Angstlijst en wordt daar ook verklaard als een irreële angst voor knaagdieren in het algemeen, en niet de vreeswekkende molrat in het bijzonder. Bij het lezen van de lijst val je trouwens van de ene verrassing in de andere. Sommige fobieën zijn namelijk wel erg bizar. Een aantal daarvan, zoals bijvoorbeeld alliumfobie, de angst voor knoflook, kennen we dankzij Graaf Dracula, maar had u ooit gehoord van deipnofobie, de irreële angst voor dineren of dinerconversaties, of van sesquipedalofobie (oftewel hippopotomonstrosesquippedaliofobie), de angst voor het uitspreken van lange woorden? Ik niet.

Terug naar de molrat en andere knagers. Hoe zijn zulke evolutionair fobieën te verklaren? Vanuit het oogpunt van de evolutieleer vormen fobieën namelijk een merkwaardig verschijnsel. Hoe zou een volstrekt onredelijke angst immers een voordeel kunnen opleveren in de strijd om het bestaan? Je zou denken dat een dergelijke eigenschap moeiteloos zou worden weggeselecteerd. Vaak wordt een fobie gezien als een atavistisch verschijnsel, dat wil zeggen: de angst die nu als irreëel wordt ervaren, heeft ooit een specifieke evolutionaire functie gehad. De angst voor spinnen of ratten wordt dan verklaard vanuit de gedachte dat zij ooit, als ziekteoverbrengers, verantwoordelijk waren voor epidemieën als de pest of cholera. We weten nu beter (het was niet de rat maar de vlo), maar de fobie is gebleven. Maar het is natuurlijk ook mogelijk dat fobieën ondanks alles toch een functie hebben.

Volgens de psycholoog en Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman hebben we twee manieren om besluiten te nemen, een langzame en een snelle. De langzame methode is onderworpen aan berekening en beredenering, de snelle methode lijkt geen directe aansturing vanuit het bewustzijn te hebben, volkomen 'impulsief’ te zijn. volgens Kahneman is het juist die snelle methode die evolutionair voordelen bood, bijvoorbeeld bij de vraag of we moesten vluchten of vechten. In het dagelijks leven moeten we nog steeds talloze beslissingen nemen die geen ruimte of tijd laten voor reflectie. Wellicht kunnen fobieën ons daarbij een dienst bewijzen, per slot van rekening is een fobie niet veel anders dan een onberedeneerde impuls.

Deins ik terug of toon ik me onverzettelijk? Beantwoord ik een uitdagende glimlach met een glimlach of een koele blik? Breek ik hier in of in het huis ernaast? Wat doe je? Het antwoord moet (bij wijze van spreken) al gegeven worden voordat de vraag goed en wel is gesteld. Een waarschuwing als ‘Hier waak ik’ kan voor een dief voldoende om automatisch zijn aandacht te verplaatsen. Dergelijke bordjes verwijzen meestal naar een hond, die doorgaans naast de geschreven boodschap wordt afgebeeld, zo dreigend mogelijk. Wellicht doen we er goed aan de afbeelding van de hond te vervangen door die van een molrat of een ander knaagdier. Wat in Casablanca werkt, werkt hier mogelijk ook. Het is maar een tip.





* Daniel Kahneman, Thinking fast and slow, New York, 2011


dinsdag 23 juni 2015

Odysseus in Geel




ODYSSEUS VAN TOEN
 IN HET GEEL VAN NU


Wekenlang hadden de leerlingen van de vierde en vijfde klas van Steinerschool Novalis in Geel les gehad over de Griekse Godenwereld. Ze weten nu dus alles over Zeus, de grote oppergod, de godin van de wijsheid Pallas Athene en de wondermooie Aphrodite, de godin van de liefde en de schoonheid. Maar het hoogtepunt van dit leerproject, was de opvoering van een toneelstuk over de grote Griekse held Odysseus. Bijna 3000 jaar geleden beschreef de dichter Homerus zijn avonturen, in Geel kwamen ze tot leven, op 18 juni 2015.


Odysseus 

Even recapituleren: Odysseus was de koning van Ithaka, een eiland in het Grote Griekse Rijk. Odysseus moest huis en haard verlaten om te gaan vechten tegen de Trojanen. De oorlog duurde 10 jaar en werd uiteindelijk beslist dankzij een list, bedacht door Odysseus, die wij kennen als Het Paard van Troje: de Grieken bouwden een gigantisch houten paard, waarin zich honderden soldaten hadden verborgen, en plaatsten het paard voor de stadspoort van Troje. De Trojanen dachten dat de Grieken de strijd hadden opgegeven, en trokken het paard  naar binnen. ‘s Nachts sprongen de soldaten naar buiten en veroverden de stad ...

Odysseus dacht dat hij nu veilig huiswaarts kon keren, maar ook de reis zou nog eens 10 jaar in beslag nemen. Het toneelstuk van de leerlingen, begint aan de vooravond van zijn thuiskomst:


De terugkeer van de held

Telemachos, de zoon van Odysseus, kijkt verlangend uit over de zee. Toen zijn vader vertrok, was hij nog maar pas geboren, inmiddels is hij een jongeman. In de afwezigheid van zijn vader is zijn ouderlijk huis omgetoverd in een bende: diverse vrijers dingen naar de hand van de vrouw van Odysseus, de wonderschone Penelope, en Telemachos is nog te jong en onervaren om de vrijers uit het paleis te verjagen. Penelope tracht op alle mogelijke manieren tijd te winnen, maar de vrijers blijven aandringen en uiteindelijk belooft zij diegene te huwen, die de beroemde boog van Odysseus kan spannen. Geen van de vrijers slaagt daarin, maar dan wordt de boog ter hand genomen door een oude man die zojuist op Ithaka is aangekomen ... die oude man is niemand anders dan Odysseus en samen met zijn zoon, doodt hij de vrijers en brengt de rust terug in het koninklijke paleis ...

De kinderen hadden hun teksten goed ingestudeerd, en dankzij de deskundige hulp en begeleiding van Veerle en Elke werd een schoolklas omgetoverd in een Grieks eiland. De snorren en baarden waren perfect gesminckt en een cape was voldoende om een jongedame te veranderen in een oude man. Het enthousiasme van de jonge acteurs deed de rest. Elke, tevens de moeder van één van de leerlingen, was even nerveus als haar dochter, en zat in de laatste minuten voor het begin nog teksten in te studeren (om ze eventueel voor te zeggen aan haar dochter), maar zoiets heet ambiance.

Heel even ontstond er nog paniek toen één van de ouders een groepsfoto wilde maken, met alle acteurs plus meester Han. Er werd opgemerkt dat meester Han niet op de foto thuishoorde, want hij had niet in het toneelstuk meegespeeld. Meester Han verdedigde zich dapper, door op te merken dat hij als souffleur wel degelijk zijn steentje had bijgedragen.

U weet het: Op school heeft de meester altijd gelijk. 
Zelfs op Steinerschool Novalis. 
Hij mocht dus mee op de foto.




Foto's: Kathe van Geetsom

woensdag 28 januari 2015

Zonnevlekjes en Schaduwvlakjes



Het leven is niet gemakkelijk voor zomermensen in de winter. Eén facebookvriendin is ziek, de ander heeft last van winterblues, de ijskoude tegenhanger van najaarsmoeheid. Die laatste kwaal, najaarsmoeheid, steekt doorgaans de kop op bij het vallen van de bladeren. De bomen zuigen de laatste energie uit de groene bladeren, de bladeren kleuren rood en sterven af. Droefenis alom.

En dan moet de winter nog beginnen.

Vanuit mijn werkkamer heb ik zicht op de kale takken van de eikenbomen in de straat. Verstijfd van de kou staan ze er bij, schraal, uitgehongerd. Vooral op regenachtige dagen, als de takken zich als zwarte kronkellijnen aftekenen tegen de loodgrijze hemel, is het aanzien troosteloos. Maar er is geen boom zo kaal of er komt wel weer een blaadje aan. Of een bloesem. En er is geen vrouw zo ziek of ze signaleert het eerste bloempje aan de Japanse sierkers of kerselaar (prunus serrulata)




Dat eerste bloempje betekent natuurlijk dat de lente in aantocht is. Om die reden is de Japanse sierkers ook één van mijn favoriete bomen. Ik geef eigenlijk niet zo veel om de lente (ik ben meer een herfsttype), maar sinds ik last heb van winterhanden, kijk ik toch uit naar het voorjaar. De winter is te koud voor mij geworden, en bovendien ben ik, nu ik een jaartje ouder word, bang om bij gladheid te vallen en lelijk terecht te komen. Op latere leeftijd worden botten brozer en breken daardoor sneller. Tot overmaat van ramp neemt het genezingsproces meer tijd in beslag. Een hypochonder als ik weet zulke dingen.

Los van dat alles houd ik van het roze voorjaarsjasje van de kerselaar. Als reusachtige suikerspinnen duiken ze op in het kale winterlandschap. Een paar weken lang hebben ze het lenterijk alleen met hun schuimende bloesems.

Een jeugdvriendje van me had vanuit zijn slaapkamer zicht op een kerselaar in de tuin. Als je het raam opende, kon je de takken raken en de geur van de bloesems opsnuiven. De eerste rozige bloempjes die op de takken verschenen, werden soms door een verlate winterbries weggeblazen, maar als de groei eenmaal goed op gang kwam, was er geen houden meer aan. Die korte periode waarin de bloesems de takken nog niet helemaal hadden veroverd, was het mooist, vooral als de zon wilde schijnen. Heel aarzelend zocht de vroege lentezon zich dan een weg door de nog niet volgroeide kroon en toverde de kamer van van mijn vriendje om in een zee van zonnevlekjes en schaduwvlakjes. Mooiere lentedagen heb ik nooit beleefd.

Nog even en dan is het weer zover. We still got the winter blues, maar binnenkort breken de bloesems door en kunnen de zomerbloezen uit de kast worden gehaald. 



- Voor Dora & Isabelle