woensdag 15 mei 2013

Sponzen en tweetaligheid




Voor- en nadelen van een tweetalige opvoeding

I

Enige tijd geleden zat ik in de trein tegenover drie meisjes van Turkse afkomst. Het gesprek werd gevoerd in het Turks, maar om de zoveel tijd sijpelde er een Nederlands woord of zelfs een Nederlandse zin doorheen. Dat ging dan van Ratatatatata krultang. Ratatatatatata getverderrie. Ratatatatata ziekenbriefje Ratatatatatata, is me dat even balen zeg. De ratatatata's waren natuurlijk aanmerkelijk langer dan de ziekenbriefjes en krultangen.

Ik begreep dat ze soms een Nederlands woord gebruikten omdat ze het Turkse equivalent niet kenden (of niet onmiddellijk bij de hand hadden). Ik heb het verschijnsel vaker aangetroffen bij Turkse jongeren: Ze groeien op in een tweetalige omgeving, waarbij in familiekring Turks wordt gesproken, en buiten de deur (school, uitgaansleven) vaker Nederlands. De Nederlandse woorden die binnendringen in de Turkse conversatie, zijn doorgaans woorden die specifiek met de Nederlandse bureaucratische cultuur te maken hebben (huursubsidie, voordeurdelers, ziekenbriefje etc.) of woorden die jongeren vooral onder elkaar gebruiken. Het Turks zal heus wel woorden en uitdrukkingen hebben die duidelijk maken dat iemand iets vies vindt, maar 'getverderrie', is onmiskenbaar Nederlands vies. En kun je in het Turks balen als een stekker? Ik denk het niet.

In de speciale Taalbijlage Mijn taal en Ik, een samenwerking van De Standaard en NRC Handelsblad kwamen alle kwesties weer uitgebreid aan bod, ook het bijzondere vermogen van kinderen om talen 'op te zuigen'. Kinderen zijn sponzen, aldus de bekende Nederlandse taalkundige Liesbeth Koenen. Over een meertalige opvoeding zegt zij het volgende:

"Zitten die talen elkaar niet in de weg? Heel veel ouders zijn daar bang voor, maar dat is nergens voor nodig. Eigenlijk zijn alle kinderen talenwonders. Misschien duurt het ietsje langer, en lijkt het soms een poosje of een kind dingen door elkaar haalt, maar dat gaat allemaal vanzelf over."

Nu zijn er ook taalkundigen die daar anders over denken. Bij Turkse jongeren die gaan studeren, wordt opvallend vaak een taalachterstand vastgesteld. Let wel: de achterstand geldt voor beide talen. Turkse jongeren die zich als jongvolwassene in Turkije vestigen, merken vaak dat zij in het 'echte Turks' bepaalde vaardigheden missen. Ook bij buitenlandse (met name Amerikaanse) studies werd dit verschijnsel vastgesteld: studenten die in een tweetalige context zijn opgevoed, bijvoorbeeld Spaans-Engels of Chinees-Engels, hebben vaak een taalachterstand die moeilijk is weg te werken, juist omdat het probleem in de (vroege) jeugd is ontstaan. Een bijkomend probleem is natuurlijk dat onderzoekers die wezen op deze problemen, meteen te horen kregen dat ze politieke bijbedoelingen hadden: wat ze bekritiseerden was niet de meertalige context, maar de multiculturele context. Toch hoeft dat zeker niet zo te zijn: taal en cultuur zijn wel met elkaar verweven, maar vallen niet samen. De achterstand van de meertalige jongeren was niet cultureel, maar linguïstisch. Het kind is wel een spons, maar de spons moet worden ondergedompeld in het taalbad om bepaalde structuren op te pikken. Liesbeth Koenen licht zelf een sluier van het raadsel op:

"Dat sponsvermogen neemt langzaam af met de jaren. Begin je op je zevende met een nieuwe taal, dan leer hem al niet meer zo perfect en tot in alle finesses als gebeurt wanneer je er van de wieg af mee opgroeit. Vanaf zo ongeveer je zeventiende ben je in dat opzicht volwassen. Dat wil zeggen dat je veroordeeld bent tot stampwerk wil je een nieuwe taal goed leren. Accentloos wordt het dan bijna nooit meer."

(tekst loopt onder de afbeelding door)

Kinderen zijn Talenwonders


Tweetalige kinderen beginnen op dezelfde leeftijd te praten en verwerven ook op hetzelfde moment taalregels in hun ontwikkeling (dat wil zeggen dat ze bijvoorbeeld op hetzelfde moment de verleden tijd gaan toepassen). Tweetalige kinderen lopen echter vaak een achterstand op in het toepassen van deze regels, vooral met betrekking tot onregelmatigheden: ze blijven enige tijd ik roepte zeggen terwijl eentalige kinderen al zijn overgeschakeld op ik riep. Ook moeilijke (minder gebruikelijke) woorden worden lastiger geassimileerd. Tweetalige kinderen kunnen vaker 'niet op een woord komen'. Bij kinderen die in een werkelijk tweetalige omgeving opgroeien (bijvoorbeeld omdat vader en moeder een verschillende moedertaal hebben) doen zich dezelfde verschijnselen voor, maar in (veel) minder sterke mate.

II

Het opgroeien in een tweetalige omgeving heeft dus nadelen, en dat is, wel beschouwd, ook niet zo vreemd. De aandacht die een kind normaal gesproken besteed aan het zich eigen maken van één taal, moet nu over twee talen worden verdeeld. De vertraging die het kind oploopt bij het assimileren van onregelmatige vormen en vreemde woorden, is waarschijnlijk en gevolg van het feit dat het minder vaak met dit soort bijzondere gevallen in aanraking komt: een eentalig Nederlands kind hoort waarschijnlijk tien keer per dag 'ik riep', terwijl een kind dat tweetalig opgroeit slechts vijf keer met deze vorm wordt geconfronteerd. Gedeeltelijk zijn deze problemen van voorbijgaande aard ('Het gaat vanzelf over', zoals Liesbeth Koenen het uitdrukt), maar de meeste onderzoeken wijzen toch uit dat tweetalig opgevoede kinderen op volwassen leeftijd gemiddeld een kleinere woordenschat hebben en meer problemen houden met zogenaamde lexicale eenheden (vaste woordcombinaties, staande uitdrukkingen, samenstellingen, etc.).

De 'blijvende problemen' (die zoals gezegd doorgaans in beide talen optreden) hebben vaak betrekking op het gebruik van constructies of idiomatische eigenaardigheden waarmee men pas in aanraking komt op een moment dat het eigenlijk al te laat is. Alleen dankzij zwaar stampwerk raken dergelijke structuren dan nog 'ingesleten', en dat stampwerk blijft vaak achterwege: in de dagelijkse omgang blijven dit soort tekortkomingen onderbelicht, ze vormen pas een obstakel op momenten dat aan het taalgebruik (of het inzicht daarin) hogere eisen worden gesteld, bijvoorbeeld bij het schrijven van eindwerken of proefschriften, of indien iemand een beroep gaat uitoefenen waarbij schriftelijke rapportage een belangrijk onderdeel vormt. Ook de lacunes in de woordenschat zijn op latere leeftijd relatief moeilijk op te vullen: kinderen zijn sponzen, volwassenen niet.

Wie op latere leeftijd nog een vreemde taal gaat leren, merkt hoe lastig het is om woorden en structuren te assimileren. Uren, dagen, maanden, jaren (twee) heb ik besteed aan het inprenten van Chinese karakters en zinswendingen, maar hoe hard ik ook mijn best deed, het bleef modderen. Het Chinees kent bijvoorbeeld geen betrekkelijke voornaamwoorden zoals 'dat' en 'die', waarmee in het Nederlands bijzinnen worden ingeleid van het type: 'Er zijn veel mensen die op zaterdagmiddag in Antwerpen gaan winkelen. In het Chinees wordt dat (omgezet): Zaterdagmiddag gaan Antwerpen winkelen van mensen veel. Het zijn zinnen die je enkel in elkaar kunt knutselen, ze soepel gebruiken zal nooit lukken. Nu is Chinees een erg vreemde taal (vreemd in de zin dat de taal erg veel van de Indo-Europese talen afwijkt), waar ik ook nog op late leeftijd aan ben begonnen. Maar ik heb op latere leeftijd ook geprobeerd om Spaans in mijn hoofd te metselen, maar ook in die taal bleef het strompelen, vallen, opstaan en weer doorgaan, echt huppelen was er niet bij. Zelfs in het Italiaans, dat ik als mijn lievelingstaal beschouw, voel ik me niet zo goed op mijn gemak als in het Engels. Engels heb ik me als middelbare scholier eigen gemaakt, de studie van Italiaans volgde pas als volwassene.

III

Aan een verschijnsel waar nadelen aan verbonden zijn, zijn doorgaans ook voordelen verbonden. Elk nadeel hep s'n foordeel, aldus de bekende Nederlandse wijsgeer Johan Cruijff. De Canadese psychologe Ellen Bialystok heeft ontdekt dat tweetalig opgevoede kinderen beter zijn in het uitvoeren van zogenaamde executieve functies, dat wil zeggen functies waarbij strijdige informatie moet worden verwerkt om tot besluiten te komen. Er zijn verschillende proeven ontwikkeld om het vermogen om het oplossend vermogen bij EF te testen, waarbij de proefpersoon op onverwachte momenten moet wisselen van taakopdracht, zoals sorteertaken (kaarten met een sterretje moeten worden gesorteerd op kleur, kaarten met cirkeltje op afbeelding, etc.), cueing taken (hierbij zijn taakopdrachten gekoppeld aan verschillende prikkels), filtertaken (het reageren op afwijkende elementen in een gegevensstroom), etc. Op het eerste gezicht is het wellicht niet zo verrassend dat tweetalig opgevoede personen hier beter scoren, ze hebben immers hun leven lang de keuze moeten maken tussen twee taalregisters. De bijzonderheid is echter dat taalontwikkeling gevolgen kan hebben voor de ontwikkeling van vaardigheden buiten taal.

Nog opmerkelijker is dat Bialystok en haar team ontdekten dat mensen die tweetalig zijn opgevoed beter omgaan met ouderdomsziekten als seniliteit en Alzheimer. Het was een zeer verrassend resultaat en het heeft sindsdien tot erg veel (wilde) speculaties geleid. Zo zou een tweetalige opvoeding mensen slimmer maken of gewoonweg leiden tot een grotere hersencapaciteit. Dat is vrijwel zeker uit de lucht gegrepen. Een mogelijke verklaring is dat de hersenen van tweetalige personen op latere leeftijd actiever zijn omdat ze een leven lang een actieve keuze uit verschillende talen hebben moeten maken. Een dergelijk voordeel zou dan ook moeten bestaan voor personen die op relatief jonge leeftijd vreemde talen gaan leren (en deze op regelmatige basis blijven gebruiken), of voor personen die - meer in het algemeen - tot op hoge leeftijd een geestelijk actief leven leiden. Dat is heel goed mogelijk, maar er is verder nog weinig onderzoek naar verricht.

Slotconclusie

In veel gevallen is er geen keuze omdat de kinderen in een tweetalige omgeving opgroeien (bijvoorbeeld omdat de ouders verschillende moedertalen hebben). In zo'n geval dient alle aandacht uit te gaan naar de vraag hoe de tweetalige opvoeding het best kan worden aangepakt. Indien er wel een keuze is, raad ik mensen aan om goed over het een en ander na te denken en de voors en tegen goed af te wegen. 

Veel publicaties over tweetaligheid hebben tot doel een tweetalige opvoeding te propageren. De schrijvers vertonen daardoor de neiging de nadelen te onderschatten en de voordelen te overdrijven (ook Ellen Bialystok maakt zich hieraan schuldig, ze maakt ook wat te veel reclame voor haar eigen winkeltje). De voordelen van een tweetalige opvoeding klinken sensationeel, en lijken ruimschoots op te wegen tegen een relatief kleine taalachterstand, maar die taalachterstand is wel mede verantwoordelijk voor de hoge uitval onder allochtone studenten (en voor de schooluitval onder allochtone middelbare scholieren). Verder bestaan er geen middeltjes om zand in goud te veranderen, en zo bestaan er ook geen methodes om mensen slimmer te maken.



Literatuur:

* Liesbeth Koenen, Kinderen zijn talenwonders
* Elma Blom, Hebben tweetalige kinderen een taalachterstand? Amsterdam, 2012, Uitgeverij Meulenhof.
* Wikipedia: Executieve Functies

Taalachterstand allochtone jongeren:

* Jaarrapport integratie 2011 - Sociaal en Cultureel Planbureau
www.scp.nl/dsresource?objectid=29810&type=org


Over Ellen Bialystok:

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen