donderdag 9 mei 2013

Wie kwaakt daar in Kikkerland?



I - Waar lag Kikkerland? 

Welke taal is ouder, het Latijn of het Nederlands? Het antwoord is verrassend: het Nederlands, in al zijn varianten. Latijn is een uitvinding van de latere bezetters, de Romeinen, die hun taal aan de oorspronkelijke bewoners wilden opleggen. Ook in Frankrijk ging dat zo, en ook daar waren het de Galliërs die het hevigst verzet boden (zie: De Bello Gallico). Nederlands en Frans nemen dus een speciale plaats in binnen de geschiedenis van de mensheid. Beide gaan volgens onderzoekers rechtsreeks terug op de eerste woorden die werden gesproken door onze voorouders, de kikvorsmannen. 

Oorspronkelijk was alles gekwaak in Kikkerland. De vraag is nu waar kikkerland moet worden gesitueerd. Lange tijd leken de Fransen dankzij de grote morosoof Jean-Pierre Brisset over de beste papieren te beschikken, maar recente Nederlandstalige publicaties hebben in universitaire kringen voor onrust gezorgd, zo heeft de Groningse natuurkundige en wetenschapsfilosoof (van Gallische afkomst) S. Wenmackers mij verzekerd. De vraag waar onze voorouders woonden en welke taal zij spraken, is actueler dan ooit. 

II - Kwispelen met Taal

De term morosoof werd in het Nederlandse taalgebied geïntroduceerd door Matthijs van Boxsel in diens Encyclopedie van de Domheid. Morosofie is, letterlijk vertaald, waanwijsheid, een morosoof is dus een waangeleerde. Je zou morosofie kunnen zien als een speciale vorm van pseudowetenschap, maar in tegenstelling tot pseudowetenschappen als psychoanalyse of homeopathie, is morosofie niet dom of middelmatig, maar (Van Boxsels boektitel is op dit punt misleidend) juist spitsvondig en heel bijzonder. 

Een hond die wil spelen, kwispelt met zijn staart. Het begrip kwispelen drukt precies uit wat de hond wil zeggen: 'k wil spelen. En deze wens werd uiteindelijk het werkwoord kwispelen. Spreek de taal en de geschiedenis volgt vanzelf, aldus de Nederlandse morosoof Willem Hietbrink. Diens theorieën, verzameld in Kwispelen met Taal, berusten voornamelijk op woordafleidingen en klankovereenkomsten die tegelijkertijd erg vreemd en uiterst geloofwaardig klinken. Hij schept een heel eigen, taalkundig universum, waarin verbanden lijken te bestaan die ieder ander tot nu over het hoofd heeft gezien.

Waar komt het woord 'antwoord' vandaan? Welnu: Na het stellen van een vraag is de ander aan 't woord > antwoord. Wat zijn dinosaurussen? Dat zijn heel oude beesten, veel ouder dan wij: die aan ons ouder is > dinosaurus. Zo waren Batavieren goed in het varen met boten: boten varen > Batavieren, en waren de Kanninefaten jagers op klein wild, met name konijnen: konijnen vatten > Kaninefaten. Lilliputters zijn amper zo groot als peuters > luttele peuters. Waar komt een uitdrukking als 'Lul de behanger' vandaan? Wel, een lul is eigenlijk een lel die er bij hangt. Zulke lellen zitten overal, ook in de mond, zo ontdekte de eerste dokter: Ah-mond-lel > amandel.


Hietbrink is ook de uitvinder van het taalworteltrekken. Daarbij blijken woorden, als ze worden opengetrokken, uit verschillende andere woorden te bestaan. Zijn grootste hoogstandje op dit punt is wellicht de herleiding van papperazzo tot papier-rotzooi, hoewel de ontleding van justitie in juist-is-ie er ook mag wezen. Andere voorbeelden: hospitaal > huis-bed-al; castreren > kuis-ter-ere. Tegen sommige mensen zei men vroeger: noteer 's, dat werd later: notaris.  De poten van een schildpad gaan vaak schuil onder zijn schild, schildpad komt dus van schuil-poot. Heel mooi is de ontleding van ansjovis - het is een klein visje, het weegt minder dan een ons: één-onsje-vis.

Niets is veilig voor het ontleedmes van Hietbrink: namen van steden, personen, landen, historische gebeurtenissen. Dat de geschiedenis van de mensheid nogal gewelddadig is, blijkt reeds uit het prille begin: Abel komt van heb-al, hij had alles en zijn broer, Cain, de naam zegt het al (Cain = Kein) had niks. Kein sloeg Heb-Al de hersens in en de rest kennen we. Die rest werd ons vaak verhaald door geschiedschrijvers als Herodotus, een heer die goed was in het duiden van alles: Herodotus > Heer-oh-duid-ons. Er waren nog weleens mensen die iets aan de ellende wilde doen, maar daar liep het slecht mee af, een enkeling werd zelfs gekruisigd: Gekruist is > Christus. Thomas wilde dat weer niet geloven, hij wilde het eerst met eigen ogen zien: Thomas >  Toon me 's. Zoals gezegd: Ken de taal en de rest volgt vanzelf.

Het wekt geen verbazing dat Hietbrink met de theorie op de proppen komt dat alle talen zijn terug te voeren op de oorspronkelijke taal die onze omgeving werd gesproken, het Diets. Bewijzen ziet Hietbrink overal: jockey komt van jochie, window van wind hou (een raam houdt wind tegen), costa van kusten, Barbara Streisand is eigenlijk Barbara Strooizand. U weet dat de Belgen de dapperste der Galliërs waren? Welnu alles draaide om dat gevreesde volkje, de Galliërs of Galen: Portugal > Poort tot Galen, Engeland > In Galen land, Wales is het Land der Galen, Pays de Galles zoals de Fransen nog zeggen, en de Walen zijn dus ook gewoon Galen. De uitspraak van de g als een h, zoals gebruikelijk in de omgeving van Gent/Hent, is ook niet toevallig: De Galen gingen alles overal Halen: in alle uithoeken vind je dus voormalige Gallische koloniën (komt trouwens via kol-aan-nie van Gal-aan-nieuw): Bengalen, Senegal, Galicië, Galilea, Calcutta (Cal-costa > Gal kusten) en niet te vergeten Californië (Galen-ver-en-nieuw).


III - Brisset en andere kikvorsers

De meeste taalacrobaten vind je binnen het Nederlandse en Franse taalgebied. De bekendste Franse taalmorosoof (in het Frans spreekt men van Fou Littéraire) is Jean-Pierre Brisset (1837-1919), net als Hietbrink een zonderlinge figuur die zich toelegde op bizarre woordafleidingen en alternatieve theorieën over de herkomst van betekenissen en grammaticale constructies.

Hij staat aan de basis van alle kikkertheorieën, van het gekwaak tot de transformatie van kikker tot mens, een theorie die dus nu ook ons eigen kikkerland schijnt te hebben bereikt. De beslissende stap zit hem volgens Brisset in de overeenkomst tussen pouce (duim) en pousser (groeien): kikkers hebben geen duim, en de overgang tot het mens-zijn werd gekenmerkt door het aangroeien (pousser) van een duim (pouce). Toen de mens ging praten keek hij naar zijn hand en zag dat er iets groeide: ça pousse (het groeit): ça pousse > la pouce.

Morosofen doen graag geheimzinnig over inspiratiebronnen. Het lijkt dat Hietbrink het werk van Brisset onder ogen heeft gehad, hoewel het ook mogelijk dat de overeenkomsten tussen hen beiden zijn terug te voeren op een gemeenschappelijke bron. Zo'n bron zou het Oera Linda Boek kunnen zijn, een oorspronkelijk in het Fries geschreven werk over een oeroud geschrift waarin een volledig alternatieve geschiedenis van de mensheid uit de doeken wordt gedaan. Een andere mogelijkheid is Johannes Goropius Becanus, een Vlaamse geleerde uit de zestiende eeuw die beweerde dat Nederlands de oudste taal der wereld was, rechtstreeks wortelend in de oertaal. Becanus is inmiddels een vergeten figuur maar in zijn eigen tijd was hij een beroemdheid, en niemand minder dan Leipnitz introduceerde hem in de Duitstalige wereld. Brisset las voor zover ik weet geen Nederlands, maar wel Duits.

ça pousse !

 IV - Het spelstadium voorbij

Morosofen lijken in bepaalde opzichten verwant aan zogenaamde idiots savants, mensen die in een bepaalde handeling een buitengewone perfectie bereiken, maar op andere gebieden weinig of niets presteren. Sommigen spelen een muziekinstrument (meestal piano), maar de meesten idiots savants zijn tekenaars of kalenderrekenaars. Vaak zijn ze in mindere of meerdere mate autistisch en in weinig anders geïnteresseerd dan in hun specialisme: de tekenaars tekenen dwangmatig dezelfde voorwerpen (vaak gebouwen) en kalenderrekenaars maken zelden gewone sommen, ze zijn van jongs af aan met dagen en jaren in de weer. Tekenend is dat Hietbrink voor het schrijven van zijn boek, Kwispelen met Taal, een journalist in de hand moest nemen. Een boek schrijven kan de briljante woordafleider niet.

Morosofen nemen hun eigen scherts zo ernstig dat ze er hun hele wereldbeeld aan ophangen. Dat is ook het verschil met literaire beoefenaars van taalspelletjes, zoals Rudy Kousbroek of Raymond Queneau (Exercises de Style), of schrijvers van boeken waarin werelden worden beschreven die aan andere logische en natuurkundige wetten lijken te zijn onderworpen, zoals Laurence Sterne (Tristram Shandy), Lewis Carroll (Alice in Wonderland) of Rabelais (Gargantua & Pantagruel). De boeken van een Hugo Brandt Corstius over de zogenaamde Opperlan(d)se Taal & letterkunde komen enigszins in de buurt, maar bij Brandt-Corstius overweegt uiteindelijk toch het spel. Zijn ernst is gespeelde ernst, de ware morosoof is het spelstadium voorbij.


Videolink:
Hietbrink legt twee woorden uit: Film & W.C.

Literatuur:
* Willem Hietbrink & Ronald Lagendijk, Kwispelen met Taal, 1996, Uitgeverij Phoenix & Den Oudsten
* Rudy Kousbroek, De Logologische Ruimte, Amsterdam, Uitgeverij Meulenhof
* Matthijs van Boxsel, De Encyclopedie van de Domheid, 2001, Uitgeverij Querido



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen