vrijdag 13 september 2013

Een Spel voor Verliezers





I

Reuzenpanda's zijn hun gewicht in goud waard. Geschat wordt dat het aantal bezoekers van een dierentuin dankzij hun aanwezigheid met een kwart stijgt. Dankzij een leaseovereenkomst met de Chinese overheid, krijgen wij in België binnenkort ook de gelegenheid om twee levende exemplaren te aanschouwen, al is het nog niet duidelijk of we daarvoor naar Antwerpen of Mons zullen moeten reizen. In België is alles communautair, dus ook reuzenpanda's. De meeste andere landen hebben geen vergelijkbare communautaire problemen, maar de panda houdt ook daar de gemoederen bezig. De bekende Britse zoöloog en televisiemaker Chris Packham bestempelde de reuzenpanda als een evolutionaire brokkenpiloot, en haalde zich daarmee de woede van natuurbeschermers op de hals. Hij kreeg echter ook bijval, en wel van ene Timothy Lavin in een artikel getiteld "Why I hate pandas and you should too." Het artikel leverde Lavin binnen de kortste keren honderden reacties op.

De reuzenpanda is een bedreigde diersoort. De meesten van ons leerden hem kennen als spaarvarkentje van het Wereld Natuur Fonds (WNF), een panda met een gleuf in zijn voorhoofd: doneer hier uw bijdrage. In ruil voor onze bijdragen, beloofde het WNF bedreigde diersoorten - en met name de reuzenpanda - voor uitsterven te behoeden. Helemaal fout, weggegooid geld, zegt Packham. Eerder betoogde hij al dat de enorme bedragen die worden gespendeerd aan de bescherming van de tijger verspilde moeite waren. De tijger is niet te redden, aldus Packham, de bescherming kost ons handenvol geld en werkt niet. Packham is president van twee charitatieve bewegingen, de Hawk Conservancy Trust en de Bat Conservation Trust, die zich inzetten voor de bescherming van, respectievelijk, roofvogels en vleermuizen. Het is dus niet zo dat de natuur hem koud laat, maar we kunnen het geld volgens hem beter in andere zaken steken, dat wil zeggen: de bescherming van dieren die wel zijn te redden.

II

De natuur telt generalisten en specialisten; sommige dieren, zoals bijvoorbeeld muizen, eten vrijwel alles, ook vloerbedekking of broekspijpen, andere dieren zijn heel kieskeurig, en de reuzenpanda is de kieskeurigste van allemaal: zijn dieet bestaat voor 99% uit bamboe. Dat is vreemd, want de panda is een beer. De meeste beren eten weliswaar plantaardig voedsel, maar wisselen dit af met vlees en vis. De panda is blijkbaar geëvolueerd van generalist tot specialist. De voedingswaarde van bamboe is gering en dus moet de panda dagelijks enorme hoeveelheden tot zich nemen om in leven te blijven. Dit heeft hem omgetoverd tot een gezapige scharrelaar die de hele dag zit te knabbelen en te lui is om een poot te verzetten, zelfs om zich voort te planten: in gevangenschap zijn ze moeilijk tot paring te brengen en ook in de natuur houdt het niet over. De panda heeft, zo houden Packman en Lavin ons voor, een verkeerde evolutionaire keuze gemaakt, hij zit in een doodlopend straatje en wij kunnen hem niet meer op de goede weg zetten.

De spaarpanda
Er valt op deze verhalen van Packham en Lavin wel wat af te dingen (met name het artikel van Lavin klinkt soms haast parodistisch). Het is niet louter een kwestie van slechte evolutie: de oprukkende beschaving heeft de reuzenpanda de bergen ingedreven, waar bamboe betrekkelijk schaars is. Ook is het niet zo dat de reuzenpanda geen levensinstinct zou hebben bewaard. Zowel de visie van Lavin als die van het WNF lijkt eenzijdig: de mens is medeschuldig, maar de reuzenpanda was reeds op weg naar de uitgang voordat de mens een grote bedreiging werd. Zijn naaste verwant (een verre neef) is de Zuid-Amerikaanse Brilbeer (Tremarctos ornatus), die op zijn continent ook de enige overlevende van de familie is; het is met deze ondersoort van de ursidae duizenden jaren geleden fout beginnen te lopen.

Het is en blijft dus de vraag of de gigantische bedragen die voor zijn redding worden uitgetrokken goed zijn besteed. Is de panda ons echt zoveel geld en moeite waard?  Sommige zeggen: We zijn dat aan onszelf verplicht. De panda kan zijn evolutionaire fouten niet corrigeren, wij wel.

III

Evolutie wordt wel gedefinieerd als survival of the fittest, maar is eigenlijk meer een spel voor verliezers: de evolutionaire geschiedenis is een eeuwigdurend slagveld van soorten die het niet hebben gehaald. Soorten die overleven, doen dat op kosten van andere. De mens is het enige dier, zo wordt wel gezegd, dat alle andere een plezier zou doen door uit te sterven. Ons succes bederft het voor anderen en veel diersoorten zijn hierdoor gedoemd om te verdwijnen. Het alternatief is dat we iets aan dat evolutionaire succes van onszelf doen, maar aangezien zelfs geboortebeperking te veel is gevraagd in grote delen van de wereld, zal dat wel een illusie blijven.

De knuffeltijger
De tijger heeft de strijd om het bestaan verloren, en de grootste schuldigen zijn niet de plezierjagers of stropers, maar de steeds verdere inperking van zijn natuurlijke leefomgeving: waar de twee soorten op elkaar botsen, delft er een het onderspit. Bij de aanleg van de spoorweg in Mantsjoerije, in 1896, werden spoorwegarbeiders aangevallen door tijgers. Het leger kwam er aan te pas en roeide vrijwel de gehele tijgerpopulatie uit. In het wild is de tijger bijna uitgestorven: de mens rukte op, de tijger betaalde het gelag. Waar de paden van de tijger en de mens kruisen, vergrijpt de tijger zich onherroepelijk aan de veestapel en vroeg of laat ook aan een mens. En dan is het hek van de dam: met vergif en wrede tijgervallen wordt de boosdoener bestreden, en meestal leggen meer tijgers het loodje dan enkel de bewuste rover.

De tijger heeft voor op de panda dat hij zich in gevangenschap vlot voortplant, maar het uitzetten van in gevangenschap geboren tijgers in de vrije natuur is een kostbare aangelegenheid die bovendien weinig kans van slagen heeft: de meeste uitgezette tijgers verhongeren of overlijden aan hun verwondingen, na gevechten met soortgenoten of prooidieren. Net als de reuzenpanda lijkt de tijger  zijn tijd te hebben gehad en zelfs onze uitsterving zou hem waarschijnlijk niet kunnen redden. Dankzij een aantal speciale projecten is het aantal in het wild levende amoertijgers in de afgelopen decennia weer licht gestegen, maar de genetische diversiteit lijkt te klein voor de soort om te overleven: ziektes worden doorgegeven aan volgende generaties en besmetten uiteindelijk de gehele populatie. We knuffelen de tijger wellicht letterlijk dood.

IV

De mensheid zal blijven groeien, voorlopig toch, en daardoor verder oprukken en ingrijpen in de natuurlijke habitat van allerlei diersoorten. We dienen de kwalijke neveneffecten van ons evolutionair succes onder ogen te zien en zo veel mogelijk te beperken, maar het heeft geen zin om in te spelen op goedkope sentimenten. We kunnen we beter trachten om het vermijdbare te vermijden dan het onmogelijke te bewerkstelligen. We spenderen miljoenen aan exotische diersoorten die vermoedelijk niet meer te redden zijn en geven niks om de verwoesting die we om ons heen aanrichten (naar de brilbeer kijkt ook geen mens om, in de Zoo van Antwerpen trekt de soort alleen aandacht als er kleintjes worden geboren). We kunnen de knaagdieren niet meer de baas omdat we hun natuurlijke vijanden hebben opgeruimd. We roeien vossen en roofvogels uit en willen vervolgens wolven gaan uitzetten om de wildstand op peil te houden.

Tot slot zou ik een waarschuwing willen laten uitgaan naar al degenen die binnenkort naar de reuzenpanda's gaan kijken: ze zien er schattig uit, maar vergis u niet, het zijn knorrige beesten die aan hun lijf geen polonaise dulden. Menige dierentuinbezoeker en verzorger heeft zijn onvoorzichtigheid met zware verwondingen moeten bekopen, want hoe lui de dieren ook zijn mogen, sommige reflexen zijn intact gebleven. Denk ook niet te snel dat u uit het zicht en op veilige afstand bent: zoals veel dieren kunnen reuzenpanda's haast ongemerkt achterom kijken en ze kunnen zich eveneens razendsnel in achterwaartse richting laten omrollen. Met een grote panda zit een ongeluk in een klein hoekje.




Literatuur: 

* Werner Fend, De Tijgers van Aboetsjmar, Scheltens en Giltay, 1973 

* David MacDonald, Andrew Loveridge, The Biology and Conservation of Wild Felids, Oxford Biology, 2010

  
 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen