woensdag 3 april 2013

Kunst van de Pispot


Opdracht: Kijk naar de foto. Wat ziet u? Een urinoir? Mis, wat u ziet is een kunstwerk. In 1917 was dit de anonieme inzending van Marcel Duchamp voor een expositie in New York waarvan hij zelf directielid was. Duchamp was daarmee de eerste persoon die een gewoon (nou ja) gebruiksvoorwerp tot kunst maakte, een readymade: Er hoeft niets aan te worden veranderd, een kunstenaar moet er alleen zijn naam aan verlenen. In de woorden van Duchamp: Ik maak dit voorwerp tot kunst omdat ik een kunstenaar ben.

Duchamp heeft altijd wat ontwijkend gedaan over zijn precieze motieven om een urinoir tot kunstwerk te verheffen. Hij was een man met een goed gevoel voor humor en er is wel geopperd dat hij alles moet hebben gezien als één grote grap: de inzending werd geweigerd, men dacht dat de 'kunstenaar' de organisatoren van de expositie wilde beledigen (of gewoonweg kierewiet was). Men heeft ook wel verondersteld dat Duchamp - die omging met een aantal van de meest bekende kunstenaars van zijn tijd, zoals Braque, Léger en Apollinaire - had vastgesteld dat de kunst zover was gedegenereerd dat alles kunst kon zijn. De schilderijen van zijn tijdgenoten leken zo weinig op schilderijen, hun gedichten zo weinig op gedichten, hun beeldhouwwerken zo weinig op beeldhouwwerken, dat alles schilderachtig, poëtisch of beeldhouwerig kon zijn, ook een urinoir. Omdat ik er mijn naam aan verleen, aldus Duchamp, wordt het kunst. Opvallend: het voorwerp was gesigneerd R. Mutt (een naam die geen belletje deed rinkelen) en werd geweigerd. Pas toen Duchamp er zijn naam aan verleende, werd het als kunstwerk aanvaard (in musea worden tegenwoordig zelfs replica's tentoongesteld).

Als deze lezing juist is, markeerde de grap van Duchamp feitelijk het einde van de kunst (of althans de kunst zoals men die kende). Kunst had, zo had men altijd verondersteld, iets te maken met 'kunde': de kunstenaar kon iets, en kon dat beter dan de niet-kunstenaar. Je hoeft maar naar een schilderij van Rubens of naar een symfonie van Beethoven te luisteren om te begrijpen wat die gedachte inhoudt: dat spelen wij gewone mensen niet klaar. In de tijd van Duchamp - en mede dankzij hem - was daar een einde aan gekomen: iedereen kan immers zijn naam ergens aan verlenen, en als het die handeling is die een voorwerp definieert als kunst, houdt kunst op kunde te zijn, houdt kunst op kunst te zijn. Het is een handeling geworden als alle anderen, een deur openen, de trap beklimmen, stilstaan. Alleen de naam van degene die de handeling verricht, is dan nog van invloed.

Als het inderdaad louter en alleen een grap was, dan is de grap behoorlijk uit de hand gelopen. De readymade van Duchamp bleek in de praktijk namelijk geen eindpunt, maar eerder de prelude op kunstrichtingen waarin wij simpele zielen niet veel kunde meer herkennen. Volgens sommigen hebben twee zaken deze ontwikkelingen in de hand gewerkt: de kunst als handelswaar en de subsidiecultuur. Op de vraag wat een kunstwerk waard is, wordt vaak als antwoord gegeven: Wat de gek ervoor betaalt. Dat klopt, maar wat de gek ervoor over heeft, wordt in de eerste plaats bepaald door de markt. We zijn dan weer (min of meer) terug bij de 'naam' van Duchamp: als de naam van de kunstenaar bepalend is voor de vraag of iets kunst is of niet, kunnen waardeloze schilderwerkjes plots miljoenen waard worden indien komt vast te staan dat ze zijn gemaakt door een erkende grootheid.

Wie bepaalt nu eigenlijk wat kunst is, welke naam de juiste indicatie is? Het antwoord is: de kunstwereld zelf. Dit is de beroemde legitimiteitskwestie, aan de kaak gesteld door postmoderne filosofen als François Lyotard: een elite bepaalt wat elitair is, en rechtvaardigt haar keuze door te wijzen op haar eigen elitaire karakter. Wij weten dat dit kunst is, omdat wij weten wat kunst is, daar zijn wij kunstkenners voor (de bijgedachte is: Jij weet dat niet, dus je moet je mond houden). Uiteindelijk bepaalt deze kunstwereld ook welke kunst gesubsidieerd moet worden, en dat is doorgaans het soort kunst waar het publiek geen boodschap aan heeft. Een elite houdt zichzelf in stand door zichzelf elitair te verklaren, en alle kritiek af te wijzen als zijnde vulgair. Uiteindelijk heeft dit geleid tot een Damien Hirst die een doorgezaagde koe tentoonstelt, of een Tracey Amin die haar eigen onopgemaakte bed als kunstwerk in het museum plaatst. Deze koe heb ik, Damien Hirst, doorgezaagd. In dit bed heb ik, Tracey Amin, de liefde bedreven.

Wij hebben dus Jan Fabre en Wim Delvoye, en meer van dat soort scatologisch geobsedeerde kunstenmakers. Wat de gedachte achter die cloaca was, ben ik alweer vergeten, en wat de betekenis van het in de lucht gooien van katjes  zou kunnen zijn, interesseert me eerlijk gezegd niet. Ik weet alleen dat het stinkt. Kunst van de pispot.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen