woensdag 27 maart 2013

De Vlieg in de Kathedraal


I - The Importance of being Rutherford

In een antwoord op mijn bekentenis dat ik graag over de ringen van Saturnus zou wandelen, maar bang was om door ze heen te zakken, schreef de natuurkundige Sylvia Wenmackers me dat de broosheid van de ringen geen probleem hoefde te zijn. In het dagelijks leven bestaan de oppervlakten waarover we wandelen immers ook "meer uit niets dan uit iets". In een nieuwe bijdrage op haar blog, genaamd Racen naar Saturnus, voegt ze daar aan toe:

"Met “meer niets dan iets” bedoelde ik dat de atoomkern, die nagenoeg alle massa van een atoom bevat, zeer klein is ten opzichte van het hele atoom (kern plus elektronen). Het was Ernest Rutherford die de atoomkern ontdekte in 1911. Hij vergeleek de kern in het atoom met een vlieg in de kathedraal. Een prachtig beeld, al kan een metafoor ook ongewenste associaties oproepen: voor mij is dit een atoombeeld dat galmt en naar wierook ruikt."

Inderdaad, een prachtig beeld. De meesten van ons zijn (denk ik) opgegroeid met een atoommodel waarbij de protonen, neutronen en elektronen worden weergegeven door middel van bolletjes. Om het nog mooier te maken, hebben de verschillende deeltjes bij veel modellen een eigen kleur. Ik herinner me dat de leraar scheikunde ons, aan de hand van zo'n model, eveneens vertrouwd wilde maken met het verschijnsel "meer niets dan iets". Hij maakte ons duidelijk dat de lege ruimte tussen de kern en de deeltjes gigantisch was, en ik neem aan dat hij ook wel een metafoor zal hebben gebruikt om de juiste verhoudingen te schetsen, maar ik herinner me niet meer welke. In elk geval niet de vlieg in de kathedraal van Ernest Rutherford (dat beeld zou me namelijk zijn bijgebleven).

Het vreemde is dat dit atoommodel op zo weinig ongeloof stuitte. Dat komt, denk ik, doordat het ons aan iets anders deed denken, en wel de afbeeldingen van ons zonnestelsel, waarmee de meesten van ons op dat moment reeds vertrouwd waren. Dat beeld van het zonnestelsel werd ons aangereikt op een moment dat onze geest nog open stond voor dingen die tegen onze intuïtie ingaan. We hadden ons nog geen voorstelling gemaakt van een zonnestelsel, ook niet onbewust, en daarom verraste ons de vorm niet. We maakten ons wel druk over andere zaken, die dichter bij onze leefwereld stonden: Was de aarde rond? Waarom vielen we er dan niet vanaf? Draaide de aarde? Waarom merkten we daar dan niks van? Ik weet nog dat ik wanhopig naar mijn voeten staarde, in de hoop de beweging te bespeuren.



 
II - Gevleugelde Metaforen
 
In De Metaforenmachine beschrijft Douwe Draaisma de geschiedenis van het geheugen aan de hand van metaforen. In de Oudheid werd het geheugen vergeleken met een wastablet, in de Middeleeuwen met een boek waaraan telkens nieuwe hoofdstukken werden toegevoegd, later kwam de camera obscura in zwang, als zinnebeeld voor het visuele geheugen. Draaisma beschrijft ook hoe groot de rol van metaforen is bij de wijze waarop wij greep proberen te krijgen op de werkelijkheid. Een metafoor suggereert een verband, en het is bekend dat feiten beter zijn te onthouden in een bepaalde samenhang, dan als een reeks afzonderlijke gegevens. Geheugenwonderen proberen desnoods een context te creëren om schijnbaar willekeurige gegevens te ordenen. De Joods-Russische geheugenkunstenaar Solomon Sherashevsky wist getallenreeksen met meer dan vijftig elementen binnen minuten in zijn geheugen op te slaan en foutloos te reproduceren. Hij deed dit door zich een bekende straat voor te stellen, en de elementen op vaste plaatsen (voor een raam, in een tuin, naast een lantaarnpaal, etc.) te plaatsen. Om greep te krijgen op een willekeurige reeks, creëerde hij dus een niet-bestaande orde. Ook legde hij vaak ongewone verbanden waarbij getallen werden verbonden met beelden, en woorden met smaken.

In de meeste gevallen, fungeert een metafoor echter als een soort scharnier tussen het nieuwe en het vertrouwde. De metafoor introduceert het nieuwe door te wijzen op een zekere overeenkomst met datgene wat we al kennen: het nieuwe is daardoor niet helemaal nieuw meer, al een beetje vertrouwd. Niemand van ons heeft ooit een atoomkern en de bijbehorende elektronen gezien, maar de meesten van ons weten wel wat een vlieg is, en hoe klein zo'n insect is in vergelijking met een kathedraal. Als ik de natuurkundige nog even aan het woord mag laten:

"Ons lichaam en onze zintuigen werken op een mesoscopische schaal, waarmee wij de microscopische wereld van subatomaire deeltjes niet rechtstreeks kunnen exploreren."

De exploratie vindt dus plaats via een gevleugelde metafoor. Maar metaforen kunnen, zoals Sylvia aangeeft, rare bijwerkingen vertonen. Zijzelf heeft aan de metafoor van Rutherford een atoombeeld overgehouden dat galmt en naar wierook ruikt. Bij mij leidt die wierook weer tot heel andere keten van herinneringen: ik ben nog een blauwe maandag misdienaar geweest, en zie nu plots een geestelijke in vol ornaat (en wie weet elektrisch geladen) een wierookvat rondzwieren. Bij elektronen daarentegen, denk ik nog steeds aan rode bolletjes die rond een geelblauwe kern cirkelen, want dat waren de kleuren van het atoommodel dat mij op de middelbare school werd voorgehouden.

Een andere ongewenste bijwerking van dit metaforisch denken is dat het moeilijk wordt om iets te presenteren dat echt helemaal nieuw is, compleet anders dan anders. Waar moet je dat mee vergelijken? We spreken niet voor niets van een voorstellingsvermogen: wij willen de dingen graag voor ons zien. De wereld voor zover die gehoorzaamt aan de wetten van Newton, kunnen we ons nog voorstellen, een vlieg kan de plaats innemen van een nucleus, een atoomkern, maar met de kwantummechanica en relativiteitstheorie is de wetenschap door de barrière van het voorstelbare gebroken. We zien het niet meer voor ons. De schaal is te groot, te klein, te snel, we raken in de war, en velen van ons komen in opstand.

Ik volgde laatst een discussie op facebook over kwantummechanica. De natuurkundige Diederik Aerts probeerde uitleg te verschaffen en tevens de discussie in goede banen te leiden; het was opvallend hoe vaak hij zich moest verdedigen tegen aanvallen omdat deelnemers van mening waren dat de theorieën niet konden kloppen, omdat ze tegen hun intuïtie ingingen. Intuïtie krijgt vorm via ervaringen, men probeert het onbekende vorm te geven aan de hand van kennis die men reeds heeft verwerkt. De metaforische kennisverwerving, sluit zich hierbij aan. De mens groeit naarmate hij wijzer wordt, uit tot een wezen dat wanhopig op zoek gaat naar bekende patronen in de chaos. Enerzijds leidt dit tot het herkennen van het gezicht van Jezus in een wolkenformatie, anderzijds tot het verwerpen van wetenschappelijke theorieën omdat ze ons geen herkenbaar patroon voortoveren. Uiteindelijk krijgt Nietzsche wellicht toch nog gelijk, en zijn we menselijk, al te menselijk. Te groot voor de elementaire deeltjes, maar gelukkig licht genoeg om rond te zweven op gevleugelde metaforen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen